Monthly Archives: March 2010

#TFOA 47: The Content Challenge

Jeff De Cagna brengt nog maar eens een boeiend item op zijn blog Smartbrief. De uitdaging op het vlak van content (inhoud) is een gevolg van de impact van technologie op de manier waarop informative gecreëerd en verspreid wordt.

“One of the most significant innovation opportunities for associations is content curation that helps their stakeholders make sense, maken meaning and mak ebetter decisions around their personal and professional challenges.”

Met de exponentiële toename van informatie – tegen 2013 zou de informatie op het internet om de 72 uur verdubbelen –  verschuift het werk van een vereniging van het opvolgen naar het beheersen en managen van informatie:

“Content curation is an intentional and careful effort to identify meaningful content and place it in a rich and valuable context that supports understanding and enables action.”

De Cagna verbindt aan deze uitdaging het lot van verenigingen in de toekomst.


#TFOA 46: LinkedIn – in or out

Ondanks het feit dat ik ondertussen al enige tijd LinkedIn gebruik, ben ik er nog altijd niet volledig van overtuigd dat de energie die je erin moet steken opweegt tegen het resultaat. Toegegeven, je komt er mensen tegen die je niet zou verwachten en soms kijk je ook op van wie wie kent. Het screenen van de contacten van je eigen contacten is niet alleen een leuke bezigheid, het zou volgens LinkedIn-gurus ook één van de meest efficiënte gebruikswijzen zijn.  Bovendien zouden veel gebruikers zich te veel laten verleiden om enkel te linken met mensen waarmee ze sowieso al gelinkt zijn (privé en/of professioneel en via fysische of andere virtuele ‘netwerken’).

Jan Vermeiren – auteur van “Hoe LinkedIn nu echt gebruiken” –  formuleert het als volgt:

“Het denken dat de kracht van een netwerk in de eerste graad zit, vormt echter de grootste barrière die mensen ervan weerhoudt hun doelen te bereiken. De echte kracht van een netwerk zit niet in wie je kent, maar in wie zij kennen. De echte kracht van het netwerk zit in de tweede graad.”(21)

En inzake het spanningsveld tussen kwaliteit en kwantiteit is Vermeiren van mening dat er een verkeerde discussie gevoerd wordt.

“Het is niet kwantiteit die belangrijk is, maar diversiteit. De consequentie hiervan is echter dat hoe meer divers een netwerk is, hoe meer mensen erin zullen zitten en dus hoe groter de kwantiteit is” (22)

Voor professionele organisaties kan LinkedIn een meerwaarde bieden op het vlak van interactie tussen de leden en het aantrekken van nieuwe leden. Vermeiren heeft het hier vooral over een ‘extra platform’. Omdat mensen LinkedIn gebruiken om connecties te leggen en dus regelmatig op de website vertoeven, kan het een waardevol alternatief zijn om er een forum uit te bouwen of om  informatie te verspreiden.

Toch moeten we vaststellen dat er slechts een beperkt aantal Belgische sectororganisaties en beroepsverenigingen actief gebruik maakt van een LinkedIn Group: Vereniging Bedrijfsinterne communicatie, Vereniging zakelijke communicatie, Kortom, Prebes, UBA, Belgian Construction Professionals, Federatie van Webontwikkelaars. De meeste groepen staan ook open voor niet-leden van de vereniging.

Om te vermijden dat er verwarring zou ontstaan met het ‘lidmaatschap van de vereniging’ werd dit bij de FeWeb LinkedIn groep expliciet vermeld. Als je de profielen van niet-Belgische groepen van sectororganisaties en beroepsverenigingen bekijkt, zie je wel regelmatig dat de groep enkel open staat voor de ‘echte leden’.

Wat opvalt is dat de activiteit van de groepen zich meestal beperkt tot het linken van profielen. Discussies zijn eerder schaars, nieuws wordt meestal automatisch aangestuurd vanuit een nieuwsfeed op een andere plaats (de site van de vereniging zelf).

Ook voor de LinkedIn Groep Belgische Verenigingsprofessionals is dat niet anders: het linken verloopt vlekkeloos, het creëren van interactie is heel wat moeilijker. Nochtans zijn er regelmatig reacties van leden via direct message of gewone e-mail. De groep blijft niettemin heel nuttig om op een relatief laagdrempelige manier (one click) mensen te overtuigen ‘lid’ te worden. Wellicht is de nieuwsgierigheid groter dan eventueel argwaan tegenover het onbekende van de groep en haar leden.

Bij een aantal groepen die niet uitgaan van een formele organisatie merk je dat er meer gebruik gemaakt wordt van het element van uitwisseling van informatie, via de functionaliteiten discussie, nieuws maar ook events. Wellicht kan LinkedIn hiervoor in zekere mate een surrogaat betekenen voor de expliciete verenigingsstructuur.

Bron: Hoe LinkedIn nu echt gebruiken, Jan Vermeiren (ISBN 9789081188609)


#TFOA 45: How old are Belgian professional organizations ?

 [I didn’t check the organizations, I came pass some information on the website of the public authority of Economy in Belgium and found reference to a law that is still in force from 31 maart 1898 ]

Op de website van de Federale Overheidsdienst Economie kan je informatie vinden over de procedure voor het oprichten van een beroepsvereniging volgens de wet van 13 maart 1898.

Voor de neerlegging van de statuten en latere wijzigingen is bijgevolg ook een aparte procedure voorzien.

In de praktijk stellen we vast dat heel wat sectororganisaties en beroepsverenigingen de vorm van een vzw aannemen (Wet van 2 mei 2002, Belgisch Staatsblad, 11 december 2002).

Tot slot nog even vermelden dat de wetgeving van 1898  de volgende definitie geeft:

“De beroepsvereniging is een vereniging uitsluitend gevormd voor de studie, de bescherming en de ontwikkeling van de beroepsbelangen van haar leden.)  De verenigingen mogen zelf noch beroep noch ambacht uitoefenen. Worden haar echter toegelaten : (…)

  5° De aankopen van vee, machines en andere werktuigen, en, in het algemeen, van alle voorwerpen bestemd om de eigendom te blijven van de vereniging ten einde in gebruik te worden gegeven aan haar leden, bij verhuring of anders, met het oog op de uitoefening van hun beroep of van hun ambacht. “


#TFOA 44: Back to basics : association management – theory and practice and real practice

Een tijdje terug heb ik voor één van onze klanten-beroepsverenigingen een focusmeeting georganiseerd. Niets over dagelijkse werking, ledenissues of komende studiedagen – enkel over de toekomst. Voor het eerst, zonder een duidelijke agenda of verloop op voorhand te melden en op een ander moment dan de normale bestuursvergaderingen – en tot mijn verbazing was de voltallige raad van bestuur erop aanwezig.

Ik had me bij de voorbereiding afgevraagd hoe dit best aan te pakken. Terugkeren in de tijd, zelf mogelijke scenario’s suggereren, een interactief gesprek tot stand laten komen, mogelijkheden te over.  Een volledige toekomstverkenning zoals Paul De Ruijter en Hans-Peter Lassche het in ‘Vereniging met toekomst’ voorstellen leek me nog te gewaagd, maar er moest toch een basis zijn, een kader.

“Als een beroeps- of branchevereniging eenmaal heeft besloten de toekomst niet op zich af te laten komen, maar zich te willen voorbereiden, dan zijn er vele manieren waarop dit kan. Er zijn verenigingen die aan externe deskundigen vragen hoe de toekomst er uit zou kunnen zien, of die aan onderzoekers vragen dit te analyseren en op te schrijven in een dik rapport. Er zijn ook verenigingen die op hun eigen gezond verstand vertrouwen en zo goed en zo kwaad als mogelijk hun eigen inschattingen over de toekomst verwerken in hun beleid en strategie. Er is echter ook een tussenweg mogelijk. Een tussenweg die de kennis binnen en buiten een vereniging mobiliseert en gebruikt in een goed gestructureerd proces. Een proces waarin diepgang en breedte, nieuwe inzichten en draagvlak samengaan. We hebben het dan over scenariotrajecten of toekomstverkenningen. (10)”

Voor het kader dacht ik terug te vallen op de klassieke modellen uit de Nederlandse vakliteratuur over verenigingsmanagement zoals het positionerings- en het propellermodel. Het Berenschot Positioneringsmodel bestaat uit een 5-benige ‘radar’-grafiek met de volgende functies: Lobby, Diensten, Zingeving, Intern bindende afspraken en Extern bindende afspraken. Door de onderlinge verhouding creëert een indruk van de functiemix van een brancheorganisatie. (Schmidt et al, 15)

Wellicht nog belangrijker is het Propellermodel van Tack: met daarin drie samenhangende succesfactoren die als propellerbladen rond een centrale as (de infrastructuur van de organisatie) draaien, nl. het strategisch belang positioneren, het collectief organiseren en het individueel profiteren (Tack, 29). Het voordeel van dit model is ongetwijfeld dat je de dynamiek van de structuur en interne werking van een vereniging op een bevattelijke manier kunt toelichten aan bestuurders die op zich niet zo heel erg wakker liggen van wat onder de motorkap van de vereniging gebeurt. Nochtans bleek uit de meeting zelf dat bestuurders vanuit hun specifieke achtergrond wel degelijk een interessante bijdrage kunnen leveren tot het proces van de overschouwing van de toekomst van de  vereniging, niet alleen in abstracte zin, maar gestaafd aan de hand van praktijkervaringen, van de individuele bestuurder, maar ook vanuit zijn of haar netwerk. Hoe die percepties en ideeën in concreto vertaald moeten worden, werd dan weer toegewezen aan de stafmedewerker en het secretariaat.

Tot slot toch nog even meegeven dat in het basiswerk van Tack van 2001 al een hoofdstuk besteed wordt aan het internet en de mogelijke effecten ervan voor branche-organisaties. Enerzijds is het bijna grappig te lezen hoe men moeite doet om uit te leggen wat internet is en wat het bijzonder maakt, anderzijds viel me de volgende uitspraak op:

“Het is voor een branche-organisatie mogelijk om de ‘portal’ te vormen naar alle relevante informatie uit de branche. Zij zijn hiertoe de aangewezen organisatie, omdat zij reeds toegang hebben tot de informatie en een netwerk van leden. Indien de branche-organisatie dit zelf niet oppakt, zullen de leden of andere, concurrerende, organisaties die doen”(369)  

Los daarvan blijft het wel een echt basiswerk over verenigingsmanagement, specifiek gericht op sectororganisaties en beroepsverenigingen.

Bronnen: 

*Verenigingen met toekomst, P. De Ruijter en H-P. Lassche, VM Uitgevers 2006 (ISBN 90-808943-6-2)

*Dienstenverlenende brancheorganisaties, Schmidt et al, VM Uitgevers 2008 (ISBN 90-808943-1-1)

*Professioneel verenigingsmanagement, P. Tack en P. Beusmans (ed.), VU Uitgeverij 2002 (ISBN 90-5383-752-3)


#TFOA 43: Good social governance for associations

Vorige week was ik aanwezig op een studiedag over Social media voor non-profitorganisaties in Brussel. Veel heb ik er niet bijgeleerd, behalve dat er bij ons nog veel te leren valt bij velen. Maar het fysisch netwerken was in elk geval meegenomen. Ik belandde nog eens op de website van de organisator Excellence for Non Profit, en vond er een interessant document over het “Deugdelijk bestuur in het verenigingsleven” terug, weliswaar van 2008, maar zeker nog heel actueel.

Het document bevat niet alleen de resultaten van een brede bevraging over deugdelijk bestuur bij verenigingen, maar ook een heel verdienstelijke en waardevolle Aanbeveling, bestaande uit 25 punten die alle aspecten van de vereniging omvatten. Opvallend is dat in het document wordt gemeld dat België op het vlak van ‘good (social) governance’ een 5-tal jaar achterop hinkt ten opzichte van de ons omringende landen. Al in 1996 werd de VEF opgericht, de Vereniging voor Ethiek in de Fondsenwerving die heel wat inspanningen doet om het fondsenwervingsbeleid vanvereniging te steunen zowel qua efficiëntie als op ethisch vlak.

Op internationaal vlak is er onder meer NGOWatch dat zich als volgt positioneert:

“NGOs have positioned themselves as advocates of global governance and shapers of corporate and government policy. NGOWatch monitors these monitors to encourage transparency and accountability.”

Het belang van transparantie inzake ‘governance’ wordt ook in het boek “Communication des associations” beklemtoond:

 “Les associations bénéficient d’un fort capital de sympathie en raison principalement de la confiance qu’elles génèrent.(152)”

Bronnen:

“Publieke Raadpleging : Deugdelijk bestuur in het verenigingsleven” van François-Xavier Dubois en Koen Van Echelpoel (juni 2008), Stichting Excellence for Non Profit, Brussel (link PDF)

“Communication des associations” van Thierry Libaert en Jean-Marie Pierlot werd uitgegeven door DUNOD (ISBN 978-2-10-051763-3)


#TFOA 42: VM February 2010

[This post is about the Dutch magazine VM on association management.]

Het is altijd reikhalzend uitkijken naar een nieuwe editie van VM, het Nederlandse vaktijdschrift Verenigingsmanagement. Uit het februari-nummer neem ik de volgende inzichten mee. Wim Ruijgrok, ‘dé promotor van professioneel verenigingsmanagement in Nederland’, in een interview naar aanleiding van zijn afscheid als hoofdredacteur van VM:

“We houden ons bezig met de inrichting van de samenleving, van integratievraagstukken tot ruimtelijke ordening. Wij beseffen dat ons belang meer behelst dan de factoren kapitaal en arbeid. En zolang wij mee-ontwikkelen met de samenleving, zal er altijd wat voor ons te doen blijven.”

En op de vraag of de nieuwe technologische evoluties geen bedreiging vormen voor verenigingen, antwoordt hij:

“Er blijft altijd behoefte aan een trefpunt, aan fysieke ontmoetingen, aan vertrouwde relaties. (…) soms wil je elkaar in de ogen kijken.”

Ook het artikel over Concurrentie-analyse aan de hand van het Vijfkrachtenmodel van Porter heb ik met interesse doorgenomen. Veelal wordt bij analyses van organisaties te weinig rekening gehouden met de enorme impact van externe omgevingsfactoren. Het artikel over strategische communicatie kwam al aan bod op #TFOA 39.

Tot slot het artikel waar ik het meest naar uitkeek: “Succes met social media”. Het biedt in elk geval waardevolle tips voor een efficiënte aanpak. Wat ik met potlood onderstreept heb is dit stukje:

“Het voordeel van een eigen community is dat het inzichtelijker maakt wat de behoeften van de leden zijn en hierop kun je inspelen. Het voordeel voor de leden is dat zij binnen dezelfde omgeving van het ledennet met elkaar kunnen communiceren en alle benodigde informatie kunnen vinden.”

In heel wat (Angelsaksische) literatuur wordt voor communities dikwijls het gebruik van bestaande netwerken zoals Ning, LinkedIn, Facebook, enz. gepropageerd.

Link: http://www.vm-uitgevers.nl